
Barend de Voogd, De filmfabriek. Profilti, de Haagse concurrent van Polygoon 1929-1933 (Zutphen: Walburg Pers, 2023), 319 pp. ISBN 9789464561609
Het Polygoonjournaal is lang niet het enige bioscoopjournaal geweest dat Nederland gekend heeft, al houdt onze herinnering aan de fenomenale stem van Philip Bloemendal die indruk wel in stand. Polygoon spande als een van vele grotere en kleinere Nederlandse ‘filmfabrieken’ pas de kroon na de gewonnen strijd met haar grootste concurrenten Orion en Profilti, die gezamenlijk vanaf juli 1931 anderhalf jaar lang ook een bioscoopjournaal met geluid uitbrachten. Maar Orion en Profilti konden vanwege het slechte economische klimaat het hoofd niet boven water houden. Orion stopte en Profilti werd in 1933 door Polygoon overgenomen − in het geheim, want voor de buitenwereld (en het eigen personeel) leek Profilti nog jarenlang als een zelfstandig filmbedrijf te opereren met een eigen bioscoopjournaal getiteld Profilti Nieuws. In 1940 dwong de Duitse bezetter tot de productie van één journaal samen met Polygoon, wat na de oorlog tot een definitieve fusie van de twee bedrijven leidde. Onder de naam ‘Polygoon-Profilti-Producties’ werd er nog tot 1987, zo’n dertig jaar na de intrede van het televisiejournaal in Nederland, met de stem van Bloemendal het Polygoonjournaal gemaakt.
Dit boek van Barend de Voogd gaat over de vergeten vroege dagen van Profilti, en dan vooral over de jaren 1929-1933, toen zijn grootvader, de jonge en ambitieuze Abraham de Voogd, er de directeur was. Volgens De Voogd had zijn opa een belangrijk aandeel in de verzelfstandiging van het filmbedrijf uit het door Loet Barnstijn opgerichte Nederlandse Bioscoop Trust, waar Profilti aanvankelijk als filmtechnische afdeling onderdeel van uitmaakte. In de jaren 20 groeide Profilti uit tot een van de grootste filmfabrieken van Nederland. Naast reclame- en opdrachtfilms maakte het filmbedrijf, gebruikelijk voor die tijd, ook filmtitels; de bedrijfsnaam was simpelweg een afkorting van die dubbele functie (Propaganda-Films-Titels). Onder het betrekkelijke korte bewind van Abraham had Profilti twee wekelijkse bioscoopjournaals geproduceerd en 350 lange bedrijfsfilms, reclamefilms en korte animatiefilms. In de hoogtijdagen telde het bedrijf veertig werknemers.
De verschillende soorten opdrachtfilms die Profilti gemaakt heeft, worden in dit boek uitgebreid en soms uitputtend behandeld. In het bijzonder is er aandacht voor de bedrijfsfilms die experimenteel en kunstzinnig van aard zijn, films waarin de conventies en technieken van de avant-garde zijn toegepast, zoals de Drakafilm van Hermann Claunigk, die Profilti in 1929 in opdracht van de Amsterdamse Hollandsche Draad- en Kabelfabriek (Draka) maakte. Directeur De Voogd, zelf een groot kunstliefhebber, was er trots op dat deze Profilti-productie goed genoeg werd bevonden door de kritische leden van de Nederlandse Filmliga om in hun landelijke filmprogramma te worden opgenomen. Waar de schrijver van dit boek op zijn beurt uitgesproken trots op is, is dat Profilti onder de leiding van zijn grootvader werd voorbereid op het tijdperk van de geluidsfilm. Het door Orion-Profilti geproduceerde bioscoopjournaal Nederland in klank en beeld was in juli 1931 het eerste bioscoopjournaal met geluid dat wekelijks in Nederland verscheen.
De Voogd schrijft met veel liefde over zijn grootvader en diverse andere familieleden. In dit boek spelen zij een belangrijke rol omdat de auteur gebruikmaakt van een tamelijk familiearchief van correspondentie en memoires. Een kracht van dit boek is dat de auteur dergelijke familiebronnen, die dikwijls slechts op anekdotes berusten, steeds kritisch weet af te wegen tegen een indrukwekkende hoeveelheid aan ander controleerbaar archiefmateriaal. De Voogd heeft deze bronnen op eigen houtje, ongetwijfeld na jarenlang archiefonderzoek, uit diverse Nederlandse archieven bij elkaar gesprokkeld. Hierdoor is zijn verhaal gelaagd en gul doorspekt met bronnen als dossiers van de Kamer van Koophandel, notulen van aandeelhoudersvergaderingen, rapporten van de Filmkeuring, zakelijke en privécorrespondentie en kranten- en tijdschriftartikelen. Daartoe was hij dan ook in zekere zin genoodzaakt, want de auteur ontbrak het aan de luxe van een bedrijfsarchief. Het bedrijfsarchief van Profilti was namelijk in 1945 vrijwel volledig in vlammen opgegaan ten gevolge van een geallieerd bombardement. In de jaren 30 was de filmfabriek verhuisd naar een onfortuinlijke omgeving in Den Haag waar de Duitsers tijdens de oorlog bijna dagelijks V2-raketten naar Londen afvuurde. Hoe spijtig dit ook is geweest, de enorme schaarste aan primair bronmateriaal maakt het een des te grotere prestatie dat De Voogd desondanks toch een heel aardig en historisch controleerbaar beeld van Profilti in de jaren 20 en 30 heeft weten te geven.
In de kracht van dit boek schuilt tegelijkertijd ook een grote zwakte. Hoewel De Voogd vaak vaardig de balans weet te houden tussen familiegeschiedenis en bedrijfsgeschiedenis, is hij vanwege het schipperen tussen beide geschiedenissen steeds gedoemd om in een structurele spagaat te belanden. Men kan zich afvragen in hoeverre bedrijfsgeschiedenis werkelijk ‘de kern van dit boek vormt’ (10) als het boek vooral draait om het dienstverband van zijn opa. Juist vanwege de hoofdrol van Abraham is De Voogd geneigd de tijd dat zijn grootvader de baas was van Profilti te vereenzelvigen met de tijd dat Profilti nog een zelfstandig filmbedrijf met een eigen karakter was. Hierdoor wordt de suggestie gewekt dat Profilti eigenlijk Profilti niet meer was na de overname door Polygoon, terwijl de auteur ook al zelf aangeeft dat de overname in de praktijk weinig aan de dagelijkse gang van zaken veranderde. De concurrentiestrijd tussen de twee filmfabrieken was erdoor slechts tot een schijnconcurrentie verworden. Waarom de aandeelhouders van Polygoon deze schijnconcurrentie in stand hielden en de overname zelfs geheim hielden voor het eigen personeel, is iets dat De Voogd niet heeft kunnen achterhalen.
De auteur heeft wel, aan de hand van een aantal indrukwekkende advertenties uit het Nieuw Weekblad voor de Cinematografie, inzichtelijk weten te maken hoezeer die concurrentiestrijd aanvankelijk woedde. Deze advertenties laten zien hoe Polygoon en Profilti elkaar steeds probeerden te overtreffen in de strijd om de beste contracten bij hun afnemers, de bioscopen. Dit toont aan hoe competitief de vroege filmindustrie was en er een klimaat heerste van over en weer steken uitdelen. Ook geeft het boek krachtige historische impressies over de dagelijkse werkelijkheid van het werken in een filmfabriek, wat de invoelbaarheid van de geschiedenis van Abraham en Profilti zeer ten goede komt. De Voogd, die naast filmjournalist ook schrijver is van detectiveverhalen, hanteert hierbij een enthousiaste en spannende schrijfstijl. Het lezen van dit werk van historische non-fictie heeft daarom iets weg van het ontrafelen van een moordmysterie.
Het lovenswaardige speurwerk van De Voogd heeft geresulteerd in een persoonlijk verhaal waarin tevens een hoop nieuwe filmhistorische ontdekkingen worden gedaan. Dit enige boek over Profilti levert daarmee een serieuze filmhistorische bijdrage aan de weinige eerdere onderzoeken die naar de vroege dagen van Nederlandse geluidsfilm gedaan zijn, zoals Sprekende films (1993) van Karel Dibbets en Polygoon spant de kroon (1995) van Jitze de Haan. Anders dan de ietwat fletse hoofdtitel en onzelfstandige (want van Polygoon afhankelijke) ondertitel mag doen vermoeden, is De filmfabriek een originele historische studie geworden, die uiteraard niet zonder gebreken is. Een punt van slordigheid is bijvoorbeeld dat de genoemde geldbedragen niet zijn omgerekend naar de huidige munteenheid en inflatie, waardoor de cijfers nogal abstract blijven. Algemener gesproken is dit boek echter een filmgeschiedenis geworden zoals die in Nederland wel vaker wordt geschreven: vanuit een persoonlijk of familiegerelateerd motief en met een journalistieke toon en inslag. Maar lang niet altijd is men zo zorgvuldig in het inlijven van institutioneel archiefmateriaal als in dit boek.
Biography
Abel van Oosterwijk (1994) is werkzaam in het Collectiecentrum van Eye Filmmuseum. Daarnaast doet hij onderzoek naar nationalisme, letterkunde en film. Eerder publiceerde hij hierover in Indische Letteren en Internationale Neerlandistiek.
